Brief advocaat Wijngaarden aan Officier van Justitie Veneberg, 24 oktober 2006

Arrondissementsparket Haarlem
Team Schiphol
Mevrouw mr. M.A. Veneberg.
Officier van justitie
Postbus 601
2003 RP Haarlem
per falk koerier

Amsterdam, 24 oktober 2006
Onze ref. 20060314.MW/SD

Betreft: Aangifte Stichting Een Royaal Gebaar, uw kenmerk 15.634170.05

Geachte mevrouw Veneberg,

In bovenstaande zaak mocht ik tot op heden geen reactie van u vernemen op mijn brief van 3 maart 2006. In vervolg daarop bericht ik u als volgt.

Inmiddels, op 21 september jl., heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid een rapport uitgebracht over de brand in het cellencomplex Schiphol-Oost in de nacht van 26 op 27 oktober 2005. De inhoud van dit rapport, en ook de conclusies, zijn relevant voor de aangifte van mijn cliënten.

Blijkens het rapport van de Onderzoeksraad heeft de, onder het ministerie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ressorterende, Rijksgebouwendienst onvoldoende invulling gegeven aan haar verantwoordelijkheid voor een brandveilig gebouw. Vleugel K, waar de brand plaatsvond, voldeed niet aan het bouwbesluit, en voorafgaand aan de bouw is onvoldoende aantoonbaar rekening gehouden met de risico’s ten aanzien van brandveiligheid. Deze zijn bovendien niet bij de Dienst Justitiële Inrichtingen kenbaar gemaakt bij de oplevering van het gebouw.

De minister van VROM was, ten tijde van de brand, mevrouw S.M. Dekker. Gelet op deze functie en de daarbij behorende verantwoordelijkheid van mevrouw Dekker voor de gevolgen van de brand verzoek ik u, namens cliënten, de aangifte te beschouwen als tevens zijnde gedaan tegen voormalig minister van VROM, mevrouw S.M. Dekker.

Ten aanzien van minister Verdonk is mede aangifte gedaan van overtreding van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, in relatie tot (het ontbreken van) de medische nazorg van de gedetineerden die de Schipholbrand hebben meegemaakt. De Raad voor Veiligheid heeft in haar rapport, onder conclusie 8, geconcludeerd dat de uiteindelijke kwaliteit van de opvang en nazorg van de celbewoners na de brand, afgezien van een aantal goede lokale adhoc-maatregelen (waar de minister juist weer niet verantwoordelijk voor is), op belangrijke punten onder de maat is geweest. Naar mening van cliënten ondersteunen zowel de bevindingen als de conclusie van de Raad voor Veiligheid de aangifte tegen minister Verdonk.

Tot slot: ook ten aanzien van de destijds zittende minister van Justitie, Donner, heeft de Raad voor Veiligheid conclusies getrokken, die relevant zijn voor de aangifte. Ik wijs met name op conclusie 5 van het rapport, waarin is gesteld dat de hoofddirectie van de Dienst Justitiële Inrichtingen (ressorterend onder het ministerie van Justitie) verantwoordelijk is voor de veiligheid van celbewoners, maar deze verantwoordelijkheid onvoldoende heeft ingevuld.

Naar mening van cliënten is thans, met name met het rapport van de Raad voor Veiligheid, voldoende bewijsmateriaal voorhanden om een vervolging, althans op zijn minst een opsporingsonderzoek, aan te vangen jegens de in de aangifte en hierboven genoemde personen. Gaarne verneem ik van u op korte termijn of u tot vervolging over zult gaan. Mocht ik binnen een maand na dagtekening dezes niet van u vernomen hebben, dan zullen cliënten ervan uitgaan dat u weigert aan het verzoek tot vervolging te voldoen en zal ik namens cliënten bij het gerechtshof te Amsterdam beklag doen van het niet vervolgen van de betrokken personen.

In afwachting van uw reactie verblijf ik,

hoogachtend,

 

M.F. Wijngaarden