'Het zijn net mensen'

'Het zijn net mensen'

Door Mirna van Dijk

Marlie Hollands promoveerde aan de UvA op Leren uit de ontmoeting: Nederlanders in contact met asielzoekers en vluchtelingen. In haar boek concludeert Hollands dat Nederlanders door hun omgang met vluchtelingen en asielzoekers een realistischer beeld krijgen van wat het betekent om te vluchten. Bovendien ervaren velen die contacten als een verrijking van hun leven.

Het boek Leren uit de ontmoeting: Nederlanders in contact met asielzoekers en vluchtelingen van Marlie Hollands bevat veel eye-openers. Geestige illustraties van de stereotiepe manier waarop vaak tegen vluchtelingen wordt aangekeken. Zo zegt vluchtelingenwerkster Jenny: 'Een vluchteling vertelde me een keer over de tijd dat in zijn land de tomaten worden geoogst. Iedereen maakt dan tomatensap, tomatensoep, tomatenpuree, van alles wat je maar kunt maken van tomaten. Toen vroeg ik aan hem: "Waar bewaren jullie dat dan, of eten jullie iedere dag tomaten?" "Nee", zei hij, "wij bewaren het in de diepvries." Tja, ik had er niet bij stilgestaan dat ze die daar natuurlijk ook hebben.'

In de groepsgesprekken die Marlie Hollands met zestig vrijwillige en professionele vluchtelingenwerkers voerde, komen allerlei vooroordelen voorbij. Negatieve, maar ook positieve. Alle vluchtelingen zijn toch bescheiden helden met een bovengemiddeld nobel karakter? Of zijn het juist gelukszoekende profiteurs? De ondervraagden laten zich in Hollands' boek onbevangen uit over hun soms naïeve denkbeelden waar het vluchtelingen betreft. Om daar onmiddellijk aan toe te voegen dat ze inmiddels beter weten. Ze hebben hun verwachtingen kunnen toetsen aan de realiteit. Vluchtelingen zijn 'eigenlijk net mensen', is een zinsnede die Hollands in diverse varianten optekende tijdens de groepsgesprekken. En tussen vluchtelingen en asielzoekers zitten, zoals overal, leuke en minder aangename personen. Hollands concludeert dat Nederlanders door de contacten een realistischer beeld krijgen van wat het betekent om te vluchten, en dat de contacten door de meeste van hen worden beschouwd als een verrijking van hun leven.

Die verrijking betekent overigens niet dat de ondervragers alleen maar positieve ervaringen hebben met vluchtelingen. Hollands: 'Vooraf was ik er wel bang voor dat ik alleen maar de politiek-correcte ervaringen te horen zou krijgen. Gelukkig was dat niet zo, en dat dank ik deels aan de methode van focusgroepsgesprekken die ik gebruikt heb. Als onderzoeker gooi je een thema in de groep, en dan komen er door de dynamiek van zo'n groepsgesprek al vrij snel de hot issues boven water. Als je alleen mooie praatjes houdt, val je als deelnemer direct door de mand. Want de anderen weten ook dat het niet allemaal even mooi is. Toch vond ik het bijzonder dat de mensen zo open waren over de moeilijkheden die ze in de contacten tegenkwamen. Daarover ontstonden vaak interessante discussies. Iemand was bijvoorbeeld teleurgesteld dat een vluchteling, die volgens hem succesvol geïntegreerd was in een dorp in Zeeland, besloot naar de Randstad te trekken omdat daar veel van zijn landgenoten wonen. De hulpverlener was daar verontwaardigd over en vond het niet slim van de vluchteling. Toen ontstond de discussie: hoe ver wil je gaan in je bemoeienis?'

Soms gaat men van bemoeienis naar betutteling, ervoer vrijwilligster Jana: 'Ik ben een keer mee geweest met een man die zich ging inschrijven bij een uitzendbureau. Ze vroegen hem van alles en ik gaf dan antwoord. Toen moest hij een cv schrijven. Ik begon hem uit te leggen wat hij daar in moest zetten. Toen zei hij "Mama", hij noemt mij mama, "ik heb al minstens twaalf keer een cv geschreven".'

De ongelijkwaardige relatie tussen hulpverlener en asielzoeker leidt in sommige gevallen tot problemen als de verwachte dankbaarheid uitblijft. Hollands: 'Een vrouw vertelde dat zij had geregeld dat de asielzoekers uit een nabijgelegen opvangcentrum een x aantal weken konden werken als fruitplukker. Er waren mensen die het werk graag aanpakten, anderen bedankten ervoor. De vrouw was heel teleurgesteld, ze had er veel moeite voor gedaan om dat te regelen, zei ze. En ze vond het belachelijk dat er mensen zeiden dat het werk te zwaar voor ze was. In de groep ontstonden er heftige discussies over. "Moet je dankbaar zijn omdat je voor heel weinig geld het rotwerk mag doen waar Nederlanders zelf ook geen zin in hebben?" zei iemand. De anderen vonden het ook logisch en begrijpelijk dat die mensen niet zaten te springen om dat werk. Terwijl die vrouw dacht dat ze iets heel positiefs had geregeld en vond het ondankbaar. Zij stond op het punt om te stoppen met haar vrijwilligerswerk. Bij sommige mensen proef je wel een soort koloniale, paternalistische houding. Maar in dit geval werd het meteen gepareerd door de rest van de groep.'

De meeste deelnemers vinden dat de positieve ervaringen in hun contacten verreweg opwegen tegen de lastige kanten. Hollands: 'Toen de oorlog in Irak begon, was ik daar fel op tegen. Mijn Koerdische vrienden begrepen mij wel, maar waren vooral blij dat er werd ingegrepen en dat Saddam werd verjaagd. Ik moest mijn standpunt verdedigen, mijn ideeën toetsen aan de realiteit. Als je het hebt over verrijking, vind ik dat wel een goed voorbeeld. Het gaat niet alleen over de dingen die vloeiend en vanzelf gaan. Juist als het een beetje wrikt, is het spannend.'

Veel vrijwilligers vertelden moeite te hebben met de ongelijkwaardigheid van de relatie, en hoe ermee om te gaan. Daar hadden de professionele hulverleners minder last van, merkte Hollands: 'Het is hun baan. Dat beschermt ze tegen een al te grote betrokkenheid. Vrijwilligers worstelen soms wel met het gevoel dat ze weinig kunnen betekenen voor asielzoekers of vluchtelingen. Men begint eraan met het idee: ik wil iets doen, uit empathie of medelijden. Ze houden er rekening mee dat vluchtelingen in hun eigen land veel rottigheid hebben meegemaakt. Als ze betrokken raken, zien ze het leed wat er hier nog bovenop komt. Ze maken het asielbeleid van dichtbij mee, zien hoe mensen hier hun leven proberen op te bouwen. Dat ze geen plek krijgen, dat ze er niet kunnen bijhoren. Dat maakt ze meer bewust van het belang van participatie. Ik vind ook dat als je als overheid bereid bent om mensen op te nemen in je land, dat je dan ook in ze moet investeren. Ervoor zorgen dat ze hier hun plek kunnen vinden. Uitgangspunt bij mijn onderzoek was dat iedereen integreert, niet alleen de nieuwkomers maar ook de gevestigden. Nederlanders moeten zich instellen op een samenleving die verandert. We moeten er allemaal aan wennen en met elkaar leren omgaan. De overheid zou initiatieven tot meer contact moeten stimuleren. Als er iets is wat we de afgelopen jaren geleerd hebben, is het wel de noodzaak tot meer onderling contact. Wanneer de onbekendheid met wat de ander denkt en beweegt niet wordt weggenomen, kun je voor onaangename verrassingen komen te staan. En dan denk ik bijvoorbeeld aan de moord op Theo van Gogh.

In mijn onderzoek zijn vluchtelingen als migranten de representanten van een veranderend Nederland. Het is een specifieke categorie migranten met een bijzondere reden om hier te komen. Maar als ze hier zijn, is hun situatie in veel opzichten vergelijkbaar met die van andere nieuwkomers: het zijn mensen met een andere culturele achtergrond die hier hun plek moeten vinden. Mede door het werk aan dit onderzoek ben ik me erg bewust geworden van de invloed die de politieke context heeft op contacten tussen mensen. De afgelopen jaren was er sprake van een naargeestige politieke situatie. Eerst had je de discussie over het verschil tussen politieke en economische vluchtelingen. Dat debat werkt door in hoe mensen naar vluchtelingen kijken en over ze denken. De deelnemers aan het onderzoek vertelden dat ze in hun omgeving vaak moesten verdedigen dat ze dit werk doen. "Die mensen komen hier alleen uit economische overwegingen, of voor de sociale voorzieningen", kregen ze dan te horen. Na de War on Terror en de moord op Van Gogh verschoof het debat richting moslims, en dat heeft ook weer een heel nare sfeer gecreëerd. Dat heeft mijn vertrouwen in de toekomst van de interetnische verhoudingen in Nederland wel onder druk gezet. Ik heb momenten gehad dat ik dacht: dit wordt een burgeroorlog. Dat is het niet geworden, en voor een deel kunnen we trots zijn dat we het gered hebben als samenleving. Dat het niet volledig uit elkaar gedreven is. In de uitslag van de gemeenteraadsverkiezing zie je dat mensen de naargeestigheid en de stemmingmakerij van de afgelopen jaren niet meer accepteren en dat ze het tijd vinden voor nieuwe politiek en nieuw beleid. Daardoor is mijn optimisme weer toegenomen. Ook omdat allochtonen als stemmers en verkiesbaren een behoorlijk aandeel in de politieke ommezwaai hebben gehad. Zij zijn nu een duidelijke machtsfactor. En dat maakt de verhoudingen gelijkwaardiger. Heel veel vluchtelingen hebben, denk ik, het beleid van de afgelopen jaren met ongenoegen gadegeslagen. De negatieve benadering van nieuwkomers, met de nadruk op wat ze allemaal níet doen, wat ze móeten doen, dat ze de verkeerde opvattingen hebben, heeft een grote weerslag gehad op de verhoudingen.

Het leuke van de contacten, zoals ik ze in mijn dissertatie beschrijf, is dat de onderlinge verschillen vaak met humor gerelativeerd worden. Een dame van 84 die taalles geeft aan een islamitische geneeskundestudent, vertelde dat hij zijn beklag bij haar kwam doen. Hij zou met collega's uit eten gaan. Maar omdat er alcohol gedronken werd tijdens de maaltijd, wilde hij om principiële redenen niet meer mee-eten. Zijn collega's begrepen niets van zijn standpunt. Hij vroeg zijn taaljuf om raad, die er uitflapte: "Ik denk dat je soms toch een beetje water bij de wijn zult moeten doen." Ze hebben er samen hartelijk om gelachen.'