Door Ulli d'Oliveira
Redelijkheid moet de basis vormen van een rechterlijke uitspraak. In de zaak-Pasic heeft de rechter helaas te veel meegegeven met de politiek.
Eindexamenkandidate Taïda Pasic mag haar examen vanaf 19 mei op de Nederlandse ambassade in Sarajevo doen. Waarom makkelijk doen als het moeilijk kan? Minister Verdonk heeft alle ruimte gekregen voor deze harde move, eerst van een meerderheid van de Tweede Kamer en nu ook van de bestuursrechter in diens uitspraak van 21 april. Zelf had ik een andere uitspraak verwacht en ook publiekelijk voorspeld. Dat is dus even slikken, maar ik ben niet bereid om alles te slikken.
In de rechterlijke uitspraak draait alles uiteindelijk om de redelijkheid. Dat is niet alleen een term uit ons dagelijkse praten, maar ook een juridisch geladen begrip. Dat neemt niet weg dat het juridische begrip in open contact staat, of in elk geval hoort te staan, met de werkelijkheid van alledag. En het gaat niet alleen over welgevormde rede en redeneren, om formele logica, maar ook om behoorlijkheid of met een groot woord: rechtvaardigheid.
Nu was de zaak inmiddels een behoorlijk door elkaar gehusseld bord spaghetti geworden, waar de gewone mens alleen niet meer elke losse spaghetto in kon ontwaren. Naar mijn inzicht waren er twee hoofdelementen: wat betekende de voorlopige voorziening die de bestuursrechter eerder, op 3 februari, had gegeven? en: mocht de minister in redelijkheid tot het oordeel komen dat het niet toepassen van de zogenaamde hardheidsclausule niet zal leiden tot een onbillijk besluit over het verzoek van de scholiere om in Nederland haar eindexamen te mogen doen?
Wat het eerste punt betreft stond het aan de tweede voorzieningenrechter om uitleg te geven aan wat de eerste voorzieningenrechter op 3 februari had toegewezen. Die had in zijn toewijzende uitspraak simpelweg verwezen naar wat er door het meisje gevraagd was, en het spreekt vanzelf dat deze een zo lang mogelijk uitstel van uitzetting vroeg. In dit licht bezien heb ik aangenomen dat een uitzettingsverbod 'voordat onherroepelijk is beslist op haar bezwaarschrift' inhield de vrijheid om een uitspraak ook in hoger beroep bij de Raad van State af te wachten: daar komt immers de onherroepelijkheid tot stand. Nu neemt de rechter aan dat Pasic alleen gevraagd heeft om uitstel totdat de minister op haar bezwaarschrift heeft beslist en de termijn voor het instellen van beroep is verstreken, met als gevolg dat die voorziening op 28 maart afliep. Door zo te beslissen heeft de latere rechter de woorden van verzoekster, bekrachtigd door de rechter in de eerdere ronde, verdraaid. Hoewel er geen beroep van voorlopige voorzieningen mogelijk is heeft de tweede rechter in feite met zijn beperkte uitleg de beslissing van de eerste rechter vernietigd, alsof er toch beroep was ingesteld.
En dan de redelijkheid, of liever het gebrek aan onredelijkheid dat Verdonks besluit volgens de rechter kenmerkt. Zeker is het zo, dat een bestuursrechter niet op de stoel van het bestuur zit, en alleen tot taak heeft te bezien of een bestuursbesluit door de juridische beugel kan. Maar er is bij de controle van de redelijkheid niet alleen een ruime marge bij de minister om uit de buurt van de flagrante onbillijkheid te blijven, maar ook een flinke ruimte van de bestuursrechter om manifest onredelijke beslissingen te treffen met vernietiging. Hier heeft de rechter te veel meegegeven met de politiek, vooral door bij herhaling erop te wijzen hoezeer de politiek had aangedrongen op een spaarzaam gebruik van de hardheidsclausule. Waar die spaarzaamheid onredelijkheid met zich meebrengt moet de politiek door de rechter gecorrigeerd worden. Daar is deze, in onafhankelijkheid, voor aangesteld.
In een interessante 'toelichting' in de uitspraak zelf die de uitspraak begrijpelijker beoogt te maken voor de rechtsgenoten - een onderwerp dat bespreking verdient, maar niet hier - wijst de rechter erop dat hij verplicht is om het overheidshandelen terughoudend, met een zekere afstand, te toetsen. 'De vraag of dit besluit een in menselijk opzicht gewenste uitkomst is, staat niet ter beantwoording van de bestuursrechter.' Deze verontschuldigende woorden raken de kern van het redelijkheidsbegrip. Naar mijn inzicht is de vraag of een overheidsbesluit in menselijk opzicht acceptabel is, nu juist wel degelijk een onderdeel van de redelijkheid van dat besluit. De onredelijkheid van het besluit, op 28 februari, om het meisje niet toe te staan om vanaf 19 mei haar eindexamen hier te doen, springt in het oog. Ik denk ook dat velen dat met mij eens zullen zijn, gegeven ook het grote belang dat wij in Nederland aan scholing zeggen te hechten, en ook gegeven het feit dat Taïda Pasic die scholing hier gedurende vier jaar volstrekt legaal heeft ontvangen. Dat zij de onredelijkheid van het verwachte weigeren van een machtiging tot voorlopig verblijf als opmaat voor een verblijfsvergunning voor studie heeft omgezet in een handelen om toch koste wat het kost haar school in Nederland te kunnen afmaken komt dan misschien voor haar risico, maar neemt de onredelijkheid van de overheidsreactie niet weg. Vergeefs wachten terwijl de schoolklok doortikt, was geen optie.
Sommige commentatoren hopen dat mevrouw Verdonk, nu zij voorlopig haar gelijk heeft gekregen van de rechter, genade voor recht zal laten gelden en Pasic zal toestaan toch hier eindexamen te doen. Dat gaat niet gebeuren. Verdonk is, waarschijnlijk zonder het te weten, een volgelinge van de filosoof Immanuel Kant, die categorisch heeft beweerd dat als morgen de wereld vergaat, vandaag nog alle terdoodveroordeelden terecht moeten worden gesteld. Het hoogste recht is het hoogste onrecht.