Brief advocaat Wijngaarden aan Officier van Justitie Veneberg, 3 maart 2006

Geachte mevrouw Veneberg,
Tot mij wendde zich de Stichting Een Royaal Gebaar, gevestigd te Amsterdam, alsmede haar bestuursleden, met het verzoek hen als raadsman bij te staan. Ik verzoek u dan ook alle correspondentie in dezen voortaan aan mijn adres te versturen. Cliënten hebben kennis genomen van uw brief van 16 februari jl. Deze brief kan echter niet als vervolgingsbeslissing en reactie op de aangifte worden gezien, nu daarin slechts wordt verwezen naar een ander, beperkt, strafrechtelijk onderzoek. Een zodanige beslissing ontvangen cliënten gaarne alsnog. In verband daarmee wensen cliënten de aangifte nader toe te lichten, c.q. aan te vullen.

In de aangifte is in eerste instantie beroep gedaan op artikel 3 van het Anti-Folterverdrag. Cliënten wensen de aangifte echter nadrukkelijk uit te breiden met een beroep op artikel 3 van het EVRM, het verbod mensen te onderwerpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen. Hieronder moet nadrukkelijk ook geschaard worden het onthouden van medische en psychische zorg aan de overlevenden van de Schipholbrand, na die brand. Nu het strafrechtelijk onderzoek, waarnaar u in uw brief van 16 februari jl. heeft verwezen, niet ziet op de bejegening van de gedetineerden na de evacuatie, heeft de aangifte op dit onderdeel dus tot doel het instellen van een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar die bejegening.

In de oorspronkelijke aangifte is, in de eerste alinea, ook aangifte gedaan van het toebrengen van ernstig lichamelijk letsel. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 300 Wetboek van Strafrecht. Gelet op het vierde lid van dit artikel, dat opzettelijke benadeling van de gezondheid met mishandeling gelijkstelt, moet ook benadeling van de geestelijke gezondheid van de gedetineerden in het cellencomplex Schiphol als mishandeling worden aangemerkt. Dit met name in het licht van het verbod van artikel 3 EVRM, zoals hiervoor aangehaald.

Voorts wijzen de cliënten nadrukkelijk op het feit dat het overdragen van een verkeerd mensbeeld door de verantwoordelijke ministers op hun ambtenaren dient te leiden tot de conclusie dat in beginsel sprake is van het medeplegen van de mishandeling en dood door schuld, waarvan aangiften zijn gedaan. Dit deel van de aangifte ziet niet alleen op politieke besluitvorming, maar ook op uitlatingen van de verantwoordelijke bewindslieden in de Tweede Kamer en in de media. Nu, blijkens uw voornoemde brief, in ieder geval de politieke besluitvorming niet is meegenomen in het lopende strafrechtelijke onderzoek, verzoek ik u dan ook expliciet een beslissing te nemen op dit deel van de aangifte en het hierin vervatte verzoek om vervolging.

Tot slot is naar mening van cliënten sprake van het plegen van ambtsmisdrijven door de verantwoordelijke ministers (artikelen 355 en 356 Wetboek van Strafrecht J 119 Grondwet). Zoals gesteld, volgens cliënten, is de bejegening van de gedetineerden in het Detentiecentrum Schiphol voor, tijdens en na de brand aan te merken als een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Gelet op de rechtstreekse werking van het EVRM dient dit verdrag te worden gelijkgesteld met een wet in de zin van artikel 355, 4de lid Wetboek van Strafrecht. De bejegening van de gedetineerden kan volgens cliënten niet anders worden aangemerkt dan als een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, en daarmee met het opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen van ….. andere wetten van inwendig bestuur van de Staat. Voor zover geen sprake is van opzet is volgens cliënten tenminste sprake van culpoos handelen, zoals omschreven in artikel 356 Wetboek van Strafrecht.

Uit uw brief van 16 februari jl. maak ik op dat naar aanleiding van deze aangifte nog geen strafrechtelijk onderzoek, noch een strafrechtelijke vervolging is ingesteld ten aanzien van de in de aangifte opgenomen strafbare feiten. Ik verzoek u hierbij een zodanige beslissing alsnog te nemen, met inachtneming van het voorgaande.

In afwachting daarvan,

Hoogachtend

M.F. Wijngaarden