Verslag van Voorzitter Stichting Opvang Asielzoekers in Nood, Jannie Meijer,
zondagmiddag 16.00 uur, 5 februari 2006
Ik heb zojuist een intensief gesprek met Taïda gehad. Het kind is totaal kapot door de gebeurtenissen, maar vooral door de aantijgingen van mevrouw Verdonk.
De waarheid is dat het gezin uit Pristina (Kosovo) is gevlucht in 1999. Hier werd het bedreigd door zowel de Serviërs als door de Albanezen. Toen ik een grapje probeerde te maken om de sfeer wat te ontspannen en zei: "over tien jaar kom je misschien als president van Kosovo op staatsbezoek" werd dat niet in dank afgenomen en reageerde zij fel met: "Kosovo is mijn land niet meer". Haar ouders wonen in Sarajewo (Bosnië) waar ze als paria's worden behandeld.
Het gaat om een hoogopgeleid echtpaar met drie kinderen. Binnen het kader van het Nederlandse vluchtelingenbeleid MOEST het gezin terug. Dit is iets anders dan dat zij terug WILDEN. Maar ze hadden geen keuze. Onze overheid kon het gezin dan ook NIET naar Kosovo terugsturen, dus zijn ze naar een ander land, Bosnië, teruggestuurd. Na hun vertrek konden de statistieken weer positief worden bijgesteld.
Het terugsturen van vluchtelingen naar een ander land dan het land van herkomst staat volledig haaks op de toezeggingen van de minister aan de tweede kamer in het kamerdebat 09-02-04.
Een ieder die iets weet van de geschiedenis en de dramatische gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld in het voormalige Joegoslavië zal verbijsterd zijn om het ontbreken van enig politiek en historisch besef.
Dat de minister durft te spreken van fraude raakt Taïda diep. De 6800 euro die het gezin meekreeg waren niet voor haar, maar voor het ganse gezin. Natuurlijk ben je daar na een jaar doorheen. Bovendien is de premie ingevoerd door de minister om terugkeer aan te moedigen en is dus legaal.
In de zaak Taïda is door 2 onafhankelijke rechtbanken uitspraak gedaan. Daaraan moeten wij ons als burgers conformeren, dus ook een minister.
Ik ervaar het als benedenmaats dat een minister zich hiertegen verdedigt, een offensief begint tegen een kind dat alleen maar rust nodig heeft, een 17-jarig kind een fraudeur noemt en dit dan ook nog eens lekt via de pers en hiervoor een krant selecteert die kritiekloos op haar hand is. Dit is stemmingmakerij die leidt tot nog meer POLARISATIE in onze samenleving. Is de minister ook niet nog minister voor INTEGRATIE?.....
De minister ontkent categorisch de misstanden in de uitzendcentra waar mensenrechten en de rechten van het kind worden geschonden. Zij zegt dat zij op de hoogte is van de situatie daar. Ik hoop oprecht dat ze het niet weet en alleen maar schreeuwt dat ze op de hoogte is, want als ze echt op de hoogte is dan moeten wij haar menselijkheid in twijfel trekken.
Er voltrekken zich situaties die de internationale toets der kritiek niet kunnen weerstaan en door de ontboezemingen van Taïda kan dat nu in brede kring bekend zijn. Ingewijden wisten het al langer. Ik behoor daarbij. Als we het proberen wereldkundig te maken dan worden er schouders opgehaald. Mijn medelandgenoten willen en kunnen het eenvoudig niet geloven dat zoiets in ons land gebeurt.
Ik hoop dat ik kleinkinderen krijg en als die later vragen of ik het "gewusst" heb dan moet ik dat met JA beantwoorden en zeggen dat ik heb geprobeerd het een halt toe te roepen.
Ik hield van mijn land en was er trots op. Nu onze overheid normen en waarden met voeten treedt, voel ik me machteloos en ongelukkig in dit land, maar bovenal schaam ik me diep. Ik schaam me voor ministers die gerechtvaardigde kritiek negeren, doorgaan met onmenselijke praktijken, commissies die hun handelen moeten toetsen een beperkte opdracht meegeven en zo de uitkomsten kunnen manipuleren, ministers die categorisch goedbedoelde signalen weghonen en critici in de marge plaatsen...
Ik roep op om het zwijgen te doorbreken. Ik vraag uitdrukkelijk om niet met modder te gooien of de minister te demoniseren. Ik hoop dat er een nationale golf van verontwaardiging op gang komt, zodra mensen beseffen wat er echt aan de hand is. Ik verwacht dat wij een waardig volk willen zijn.