Er is thans geen grond...

Een boekbespreking uit Trouw, 10 december 2005:

Er is thans geen grond...

Auteur: Verbaas, F.-W.
Uitgever: Arbeiderspers
ISBN: 9029563257

Maar heeft u dan geen arrestatiebevel?

Klaas de Vries

Met de wetgeving voor asielzoekers is niet zo veel mis. Het zit hem in de uitvoering. Het maakt uit of een ambtenaar koste wat kost zoveel mogelijk afwijzingen wil 'realiseren', of dat hij ieder verhoor met open geest, open oren en open ogen ingaat. De jurist Frans-Willem Verbaas laat in een pas verschenen boek overtuigend zien dat er veel misgaat; gruwelijk misgaat. PvdA-kamerlid Klaas de Vries bespreekt het.

Na de verkiezingen van mei 2002 kreeg ik in de PvdA-fractie de portefeuille asielbeleid. In de aanloop naar die verkiezingen was de discussie over vreemdelingen heftig geëscaleerd. De overheersende opinie had genoeg van al die buitenlanders. Er waren er te veel en 'men' zag hen liever gaan dan komen. Dat gold zonder onderscheid voor gezinsherenigers, gezinsvormers, arbeidsmigranten en voor asielzoekers. Wie vroeger welkom was, werd nu met de nek aangekeken. Dat leek me onterecht en onverstandig.

Maar er waren wel grote problemen, ook op asielgebied. Vijftien jaar geleden begon de stroom asielzoekers naar ons land onstuimig aan te zwellen. Toen al zat het kabinet met de handen in het haar. Maar minister-president Lubbers was vastberaden het probleem bestuurlijk beheersbaar te houden. De gemeenten, waarvoor ik toen werkte, moesten daarbij helpen.

De bereidheid om te helpen was er wel, maar de noodzakelijke woningen ontbraken. Er waren al veel te lange wachtlijsten. Tijdens overleg met het kabinet gaf Lubbers staatssecretaris Enneüs Heerma opdracht daar iets op te verzinnen. Wim Kok, toen minister van financiën, moest de financiële problematiek oplossen. Kok keek gepijnigd over zijn bril: hij zag het probleem, maar hij wist ook dat een toezegging een dag later zou worden beloond met de opdracht om elders te bezuinigen.

De opvang werd telkens met veel inventiviteit wel weer geregeld. Maar de afhandeling en beoordeling van de wassende stroom asielverzoeken bleek vrijwel ondoenlijk. Er waren te weinig ambtenaren om beslissingen voor te bereiden en te weinig rechters om in de talloze procedures uitspraak te doen. Tijdens het kabinet-Kok II moest Job Cohen voor een nieuwe vreemdelingenwet zorgen. Die kwam onder grote politieke spanning ook tot stand, zonder de steun van het CDA. Maar de nieuwe wet bracht de politieke discussie niet in rustiger vaarwater: in 2002 begon Nederland immers luidkeels te zeggen wat het allemaal dacht.

Het publieke oordeel over het asielbeleid is meestal nogal zwart-wit. De één voelt veel voor hard en streng, de ander meer voor rechtvaardig en humaan. De één ziet in asielzoekers gelukzoekers en leugenaars, de ander beklagenswaardige mensen die huis en haard onder barre omstandigheden hebben moeten verlaten. Maar hoe zit het nou echt? Wie zijn die asielzoekers? Wat gebeurt er als ze hier komen? Vrijwel niemand weet daar veel van, tenzij men via kinderen op school, via een zoon of dochter die op een asielzoeker verliefd wordt of via vrienden en kennissen, met asielzoekers in aanraking komt.

Frans-Willem Verbaas kent het recht én de praktijk van binnenuit, omdat hij als asieljurist jarenlang heeft meegemaakt hoe het asielzoekers in ons land vergaat. Hij constateert een grote kloof tussen recht en praktijk: ``Op papier ziet het Nederlandse asielbeleid er voor de vluchteling lang niet gek uit. Het probleem zit hem in de nadere uitwerking en ambtelijke realiteit.``

Over de praktijk velt hij een hard oordeel: ``Het afwijzen van asielaanvragen lijkt in veel gevallen te veel een doel op zich geworden, waarbij de grenzen van de redelijkheid worden overschreden en de beoordeling van asielaanvragen een volstrekt kunstmatig karakter krijgt dat weinig meer te maken heeft met de realiteit van vluchtelingen in nood.``

Volgens Verbaas zoekt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) daarbij steevast de ondergrens van het recht op en hanteert de dienst atijd de voor de asielzoeker meest ongunstige interpretaties.

Deze stelling wordt in het boek rijk geïllustreerd. Omdat je soms niet kunt geloven wat je leest, gebeurt dat gelukkig met verwijzing naar diverse bronnen. Een paar voorbeelden: De asielaanvraag van een Irakees die verzet pleegde tegen Saddam Hoessein werd afgewezen omdat hij volgens de IND medeschuldig was aan oorlogsmisdaden. De aanslagen van zijn verzetsgroep werden namelijk steevast gevolgd door represailles van Saddam Hoessein.

Een asielzoeker uit Kosovo werd afgewezen, omdat hij bescherming zou kunnen krijgen van de vredesmacht van de Verenigde Naties. Maar de man had een schriftelijke verklaring van die vredesmacht dat deze hem niet kon beschermen.

De IND vindt het bezwaarlijk als een vluchteling zijn arrestatiebevel niet kan laten zien. En een Koerd die in Turkije gemarteld was, werd meegedeeld dat hij zich eerst bij de leidinggevenden van zijn beulen had moeten beklagen.

Gelukkig wil de rechter bij dit soort beslissingen nog wel eens ingrijpen. Dit is echter geen garantie dat de IND het hoofd in de schoot legt. Vaak volgt een nieuwe afwijzing met nieuwe argumenten. Ik ben nu zelf met een zaak bezig waarin de rechter tweemaal een afwijzende beschikking van de IND heeft vernietigd, maar waar de dienst alle tijd neemt om het nog eens te proberen.

Een belangrijke bondgenoot van de IND is de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die zet de rechtzoekende asielzoeker structureel op achterstand, door de overheid zeer veel beleidsruimte te gunnen. Verbaas beschuldigt de Raad van State van juridisch fundamentalisme. Een voorbeeld dat ik ook niet kende: als een advocaat van een asielzoeker niet letterlijk vermeldt dat hij 'bepaaldelijk gevolmachtigd is', maar slechts meldt dat hij 'als gemachtigde' zal optreden, kan de asielzoeker het verder vergeten. Je leven zal er maar van af hangen.

Als de Raad van State het laat afweten is er gelukkig nog het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Dit verbood bijvoorbeeld uitzettingen naar Somalië, toen de Raad van State dat, ondanks overstelpend tegenbewijs, nog een veilig land noemde.

De coulance die onze hoogste rechter voor de IND toont, wordt beloond doordat de dienst het in veel gevallen niet zo nauw neemt met rechterlijke vonnissen. De Nationale Ombudsman noemde dat verschijnsel eerder dit jaar een aantasting van de grondslagen van de rechtsstaat. Na hierover enkele malen te zijn bevraagd, heeft de minister aangekondigd daar een halt aan toe te roepen. Verbaas vindt de 48 werkuren waarin een asielverzoek in de aanmeldcentra wordt beoordeeld voor evident kansloze zaken voldoende. Maar zodra het ingewikkelder wordt, dreigt het gevaar van onjuiste beslissingen. Niet iedere vluchteling durft meteen al zijn of haar ervaringen met een repressief regime op tafel te leggen. Ook over martelingen en verkrachtingen praat men begrijpelijkerwijs niet makkelijk, uit angst of uit schaamte. Hoe weet de vluchteling trouwens dat wat hij hier vertelt nimmer de weg vindt naar het regime dat hij is ontvlucht? Ook de rechtshulp kan in dit soort gevallen binnen de gegeven tijd nauwelijks adequaat hulp bieden.

Volgens Verbaas is Nederland inmiddels gidsland geworden voor hardvochtige asielpolitiek. Hij hoopt dat de slinger van het asielbeleid weer de andere kant op gaat als dit het grote publiek duidelijk wordt. Maar op zich is dat geslinger natuurlijk al hoogst ongelukkig.

Meer draagvlak voor een goede behandeling van asielzoekers zou goed zijn. Daar wordt door het kabinet echter niet naar gezocht. Na de verkiezingen in 2002 en 2003 is gekozen voor een hard beleid. Toen hij Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen was, noemde Ruud Lubbers het beleid 'hard en in zijn uitwerking hardvochtig'. Het terugsturen van ex-asielzoekers en hun kinderen die al jaren in ons land waren, vond hij 'inhumaan'. Wie daar niet van schrikt, zou zich ook kunnen afvragen hoe handig het is om mensen vijf jaar of langer volledig te verzorgen en ze dan het land uit te zetten. Ook een goede vraag is of het belang van de staat in dit soort gevallen opweegt tegen dat van een gezin met kinderen dat hier volledig is ingeburgerd. De proportionaliteit--in het algemeen toch een belangrijk rechtsbeginsel - lijkt vaak geheel zoek.

Normaal gesproken - ik bedoel eigenlijk: vroeger - zou een Nederlands kabinet zulke oordelen als dat van Lubbers niet hautain naast zich neer leggen. Maar het huidige kabinet houdt de rug recht. Aan opvattingen van een zeer grote minderheid in de Kamer laat het zich weinig gelegen liggen. Dat geldt helaas ook voor die van officiële adviescommissies, mensenrechtenorganisaties, de Raad van Kerken en anderen. In dat licht is het wel een beetje overmoedig van Verbaas om te hopen dat zijn boek, hoe leesbaar en lezenswaardig ook, bij het grote publiek de ogen zal openen.